Uitdagingen op maat, daar houd ik van. Genoeg om moe en blij van te worden, maar niet helemaal gesloopt zijn.

Ik begon met een stuk over dr Weinstrasse richting Mezacorona. Klimmen vanuit het dorp. Slingerend langs de druivenranken. Ik zie de wijnsoorten die E graag op tafel zet voorbij komen. De weg klimt, de weg daalt, de weg is maar heel weinig vlak.
Door het dorp naar een stuk slecht geasfalteerd fietspad door het bos. Er wordt gewaarschuwd voor beren. Dit is richting het gebied waar beren mensen aangevallen hebben. Een hardloper liep niet hard genoeg. De beer is inmiddels het land uit gezet. Had vast asiel moeten aanvragen in Roemenië.

Ook al is dit een weg waar een gravelfiets het ook wel had kunnen doen, ik fiets hier opvallend graag. Weet wat er nog gaat komen en wat gaat komen maakt veel goed. Zelfs nu de weg omhoog gaat lopen.
Dit zijn de wegen van de Giro en de Alpen Tour. Onderweg staan nog restanten van strepen en TV, waar ik eerder dacht dat dit het begin van de TV uitzending was is dit tussensprint in het Italiaans.
De weg gaat om hoog. Ik ga mee. Ik moet mee. Ik spreek met mezelf weer 1,5 uur af. De weg wordt een slingerend fietspad. Een paar procent worden meer procenten.
Ik schakel lichter en trap rustig verder. Wie maakt het uit hoe snel ik ga.

Ik kom boven op en trap nog iets verder. een week geleden was hier een soort wedstrijd.

Wat ik naar boven gereden ben, mag ik nu weer naar beneden. Ben niet alleen geen beste klimmer, maar ook een voorzichtige daler. Ben blij dat ik de grupetto niet hoef bij te houden om in koers te blijven.
Terug wil ik via het fietspad. Slinger tussen de velden door. Voel een tik op mijn onderlip. Een beet. Ik sla het vliegende beest weg. Het prikt. Het steekt. Het zwelt. Het zal toch niet? Geen tijd om na te denken. Geen zin om te stoppen. Ik ben aan het fietsen.
Op het fietspad staat de wind schuin mee. Ik rijd een lekker tempo en kom twee vlotte renners achterop. Als ik langszij kom gaan ze versnellen en versnellen doen ze. Het gaat flink hard. Voor mij nu net iets te. Maar ik denk voor hun ook, want ze houden in. De jongste knoopt een gesprek aan. Begint in het Italiaans en gaat over in het Engels als ik hem uitleg dat ik uit Ollanda kom. We hebben het over witte fietsen. Hij vraagt zich af of ik lang geleden gestopt ben met koersen. Ik vertel hem dat ik niet meer dan een zwakke toerist ben. Hij lacht. Vandaar het toeristen tempo. Hij fietst met zijn 75 jarige vader. Ik zou hem nog geen 55 geven. Ze rijden beiden op Dogma’s F12. Komen uit de buurt. Hij heeft een witte en zijn vader een zwarte. we beginnen weer te rijden. Tot dat ze mij laten rijden en het zelf rustiger aan gaan doen.

Dit soort gesprekjes maken de rit.
Het laatste deel valt me zwaar. Heel zwaar. Sleur me terug naar het dorp, waarna ik op het bankje onderaan de trap van Pernhof, deze achteringang moet je kennen, zit uit te puffen.

Wat ik dacht dat een wat treurige dag zou worden op het fietsvlak, werd een mooie. Zo zie je maar. Als de fiets er is, wordt het goed.