Balans, grens, Giro d’Italia en Monte Velo

We waren samen naar de voet van de Monte Velo gelopen. Was dat leuk, legde dat de basis of legde dat een zenuw blood. De Monte Velo of St. Barbara klim is een bekende in de omgeving van Arco. Een klim die behoord tot de mythische van Trentino. Zo’n klim die je gereden wil hebben. Zo’n klim die daarna in gedachten lang niet zo zwaar meer is als wanneer je er tegenop probeert te fietsen.

Het is dinsdag. Ik ben klaar om te gaan fietsen. E heeft me verwend met een vers broodje van de bakker en een favoriet broodje “con crema”. Een Italiaans ontbijt zoals ik dat graag eet. Na zo’n leuke tocht samen de dag er voor vind ik het lastig om er alleen op uit te gaan, maar het kriebelt ook weer om te gaan fietsen. Wat ga ik doen? Een ronde over de Ballino? Of durf ik het aan om tegen de Monte Velo op te gaan rijden. De weg die geen uitweg kent en alleen maar een weg omhoog of de weg van de schaamte terug omlaag over de weg die je geprobeerd hebt op te rijden.

Ik ga de uitdaging aan. Doe een gilet in mijn achterzak voor de afdaling, zet mijn nieuwe bril op, steek een paar gels in mijn achterzak en begin te rijden. Het eerste deel zoals we gelopen zijn en dan begint de weg nog meer op te lopen.

Mijn Wahoo heeft voor het eerste deel angstvallig veel rood aan. Hoe roder hoe zwaarder. Hierna is het nog verder klimmen naar de uiteindelijk top weet ik.

Verstand uit.

Blik op uit eindig.

Trappen maar.

Ik heb de 36 tandjes achter niet voor niets.

Er zijn jaren geweest dat ik niet gedurfd heb.

Ik hoef mijn laatste kransje niet schoon te houden.

Denk aan je balans.

Een grens is er om te overschrijden.

Ik kan het.

Op de weg staan leuzen gekalkt. Moedigen lokale held Eduardo Zambanini aan. Zamba la Gamba (dijen). Verder wordt Gaza een hart onder de riem gestoken. Gelukkig staan hier geen wild zwaaiende lieden langs de weg die me doorfietsen onmogelijk maken.

Ik ploeter.

De bordjes langs de kant van de weg geven weinig moed. Die die niet gestolen zijn geven kilometers aan met gemiddelde stijgingspercentages van 9,9 en 9,2%.

Wandelen is misschien sneller.

Wandelen is geen fietsen.

Ik word drie keer ingehaald door renners op racefietsen. Ik wordt twee keer ingehaald door elektrische MTBs. Het gemak waarmee dat gaat neemt al het ontzag voor een ieder die sportief bezig is weg. Ik haal één man op een racefiets in. Die stapt pardoes af als ik voorbij kruip. Ben ik de grens van wat toelaatbaar is om te blijven fietsen. Mijn geest dwaalt af. Ik probeer 43 niet door 19 te delen, maar houd me vooral bezig met dit soort filosofische gedachten.

Ik fiets voorbij de Deense bocht op de berg.

Als je nog kunt praten, kun je ook sneller fietsen. Hoe zit dat als je nog kunt fotograferen.

Ik gebruik de buitenbochten om zo vlak mogelijk te rijden. De spinning lessen René komen boven. “Pak de binnenbocht, dan neem je de kortste weg”. René kan de boom in. Die binnenbochten zijn nog steiler en dan ben ik pas echt bang stil te vallen.

De Monte Velo. Natuurlijk een aantal bochten verder dan je herinnert dat het bord verschijnt. Het is hier werkelijk schitterend. Wat maakt dit veel goed.

Jammer van de motoren die af en toe laten zien hoe goed ze kunnen optrekken en de verdwaalde Nederlander in een auto. Ik ben al blij geen caravan tegen te komen. “We zijn er bijna”, ik ben er ook bijna, maar krijgt nog een paar zware kilometers om te overbruggen.

De haarspeldbochten volgen elkaar op. De weg is smal. Helpt allemaal mee om door te hebben dat het stijl is en om focus punten te hebben. Van bocht naar bochten en dan iets de druk van de benen. Af en toe staan. Een weg die te breed is geeft het idee veel vlakker te zijn dan deze eigenlijk is. Hier lijkt het zo stijl als het is.

De pas is bereikt. Doorrijden tot een het bord en het vlaggetje op mijn Wahoo dat ook bevestigd dat de finish is bereikt.

Een foto op de top.

Het bewijs van de gereden hoogte meters. Vooral niet denken in kilometers. Daar vooral niet in en aan denken.

De afdaling begint. Ik verwacht dat het snel warmer zal worden en laat mijn gilet in mijn achterzak. Hoe vaak moet je het koud krijgen in een afdaling wil je de moeite nemen om het aan te trekken. Vast vaak. Mijn bezwete lichaam koelt hard af. Ik krijg het koud, maar neem niet de moeite om te stoppen. Ik laat me doorrollen naar beneden. Beheerst. Voorzichtig. Remmend. Bochten nemend. Veelal goed wegdek. Dat gelukkig wel.

Van Loppio, naar Nago, naar Torbole.

Nog een snelle blik op het meer voor dat ik naar de Goethe Platz afdaal. Misschien de laatste blik op het meer dit jaar. Het blijft een magnefiek gezicht.

Naast Mecki’s draai ik het fietspad op voor de laatste paar kilometers naar Arco.

De mogelijkheid nog 5 kilometer te kunnen uitrijden bevalt me goed. Precies wat ik kan gebruiken om mijn benen weer op orde te krijgen.

De hele rit gaat een tekst van Daniel Lohues door mijn hoofd. Niet het verwachte “op fietse”, maar “Angst is mar vuer eben, spied is vuer altied”.

Moet ik misschien maar op mijn bovenhuis laten zetten.

Plaats een reactie