In het pakket dat ik bij E er bij kreeg, zitten een bijzondere schoonzus en zwager. Een stel dat er bijvoorbeeld, toen ik nog niet trainde maar wel vond dat ik Mountainbike marathons moest fietsen, geen enkel probleem mee had om een aantal keer mee te gaan naar zo’n marathon. De Keilerbikemarathon. Ook voor het randgebeuren van schnitzels, een halve liter bier en te veel bolletjes citroen ijs, maar zeker ook als supporter. Terwijl ik er niets van bakte. Ongetraind zat ik daar te trillen aan een biertisch. Kappot van de zenuwen en de tranen nader dan het lachen. Dat ik daar plezier in had (had ik op die momenten zeker niet), maar zij vonden alles best.
Nu is mijn zwager ziek. Een tijd al. Heel erg ziek. Van de man die voor mij op zijn Hammond B3 speelde, of een Nord of ander toetsen instrument, en met Leslie boxen rond zeulde alsof het niets was, is niets meer over. Voor hem geen worst van een halve meter op de kerstmarkt meer of een berg citroen ijs, maar lepeltjes water.
Wat een ellende en verdriet. Zo opgesloten in een lichaam dat er langzaam maar zeker mee stopt. Zo wil ik mijn zwager niet herinneren. De tranen staan nu om heel andere redenen veel nader.
Liever speel ik struisvogel, maar gisteren ging ik weer eens mee met E op haar trouwe bezoekjes.
Laat ik het zo omschrijven: wat was ik gelukkig dat ik de rest van de middag, met mezelf en mijn gedachten, op mijn fiets kon zitten.

Uren trappen door de polder. Zonnetje er bij. Beetje wind, maar niet te veel. Gedachten verzetten.
Wie de fiets niet kent, weet niet wat de fiets kan betekenen.
Nu train ik wel.
Voor niets.




















